Een jongen uit groep 8 kijkt hardop lachend naar de twee kaartjes: olifant en broodrooster. “Een olifant in een broodrooster, dat past niet hoor! En verder hebben ze echt niks met elkaar te maken.”
“Kijk nog eens,” zeg ik.
Hij zucht. “Ze zijn allebei groot?” Hij wacht even. “Nou ja, een broodrooster niet echt.” Hij legt de briefjes naast elkaar op tafel en staart ernaar. “Ze worden allebei warm?” Hij trekt een gezicht. “Een olifant niet echt ook.”
Ik zeg niets. Er valt een stilte.
Dan: “Een broodrooster heeft gleuven voor het brood. En een olifant heeft ook van die rimpels, dat zijn eigenlijk ook gleuven.” Hij kijkt op. “Dat is wel heel erg gezocht.” 
Hij denkt verder. “Ze zijn allebei nuttig voor iets wat je elke dag doet. Een broodrooster voor ontbijt. En een olifant… die werkte vroeger voor mensen, toch? Die droegen dingen.” Een korte pauze. “En als ze kapot zijn, merk je het meteen. Als de broodrooster het niet meer doet heb je een probleem. En een olifant ook.” Hij stopt. “Eigenlijk zijn ze allebei iets dat je pas mist als het er niet meer is.”
Prachtig!

Wat deze jongen deed, is precies wat bij leesbegrip nodig is. Hij begon aan de oppervlakte, zag dat het niet klopte, verwierp zijn eigen antwoord en bleef zoeken omdat hij het gevoel had dat het eerste antwoord te magertjes was. En op het moment dat hij uitkwam bij “iets dat je pas mist als het er niet meer is”, had hij iets gebouwd wat er niet was toen hij de briefjes uit de pot trok. Dat is een situatiemodel – een samenhangende mentale weergave – in het klein: twee losse dingen die door zijn eigen redenering één geheel zijn geworden.

Ik liet hem zien wat er was gebeurd. “Je hebt drie verbanden geprobeerd en de eerste twee zelf als het ware weggegooid. Dat weggooien is het belangrijkste. Je checkte steeds of het klopte met wat je al wist. Dat is precies wat je ook doet als je een tekst echt begrijpt: je bouwt een beeld en je controleert of het blijft kloppen.”
Hij knikte langzaam. “Dus als ik bij een tekst het gevoel heb dat ik het snap maar het eigenlijk niet weet, moet ik eigenlijk ook gewoon even stoppen en nadenken?”

“Ja. Of even terugkijken in de tekst. Dat gevoel is het hûh-moment: het is het signaal dat je het nog niet helemaal snapt.”

Leerlingen in groep 8 zijn goed in het vinden van een antwoord, maar vaak minder goed in het controleren of dat antwoord het wel echt is. Een woordenpot helpt daarbij, omdat er geen goed antwoord bestaat en het eerste antwoord zelden het interessantste is. En wat ze hier oefenen, is niet iets aparts: het is hetzelfde wat ze nodig hebben als ze een tekst lezen waarbij ze meer de diepte in moeten.

The post De connectie tussen een olifant en een broodrooster appeared first on LeesInzicht.


Tags


Misschien ook interessant: