Spellingprooblemen

Column door Elvira Rouwenhorst-Pont, in 2014 verschenen in Salland Centraal

 

“Mijn vader vindt het kinderachtig, als ik “ah” zeg. Het is een “aa”, zegt hij”. Joost wordt een beetje boos. Want wat zijn vader zegt, is waar. Joost vindt spelling moeilijk en die gekke spellingregel – die van ezel en kikker – krijgt hij er maar niet in. Hij zit in groep 6 en zou deze regel al wel moeten kennen. Hij wil betere cijfers, maar elke dag thuis oefenen heeft nog niets geholpen.


Joosts moeder kwam een paar weken eerder in de praktijk voor hulp. “We oefenen zo veel en toch gaat hij niet vooruit,” vertelde ze. “Joost krijgt wekelijks 20 woorden mee naar huis. Hij bekijkt elk woord en typt het na. Bij het eten doen we nog een spelletje: we zeggen een woord en Joost moet de letters zeggen.” 

In de eerste les vraag ik Joost hoe dat gaat, dat “letters zeggen”. Hij kiest het woord makkelijk als voorbeeld; die moest hij thuis ook schrijven. “Makkie!” roept Joost , “em-aa-ka-ee-el-ij-ka”en schrijft: makelijk.

 

Ik vraag Joost hoe hij de regel van het woord kikker op school heeft geleerd. Hij kan het goed uitleggen, met klankvoeten en klanktenen en al. Ik leg uit dat hij daarom bij het woord makkelijk een “ah” moet zeggen en geen “aa”. Zijn boosheid duurt gelukkig niet lang.

Om deze woorden goed te schrijven moet je het woord “hakken” en goed luisteren wat je hoort aan het eind van een stukje: ma/ke/lijk. De laatste klank van ma is een a (“ah” en geen “aa”). Dit is een korte klank en daarom komt er een k bij. Ouders hebben dit zelf vaak anders geleerd en willen hun kind op hun eigen manier helpen. Maar het hielp Joost juist van de regen in de drup: hij heeft de regel goed geleerd, maar gebruikt hem niet omdat hij thuis heel anders oefent. Daarom hebben we samen een aantal weken geoefend op de klanken en op het verdelen van woorden in stukken. Joost snapt weer wat hij ermee moet: luisteren!

Thuis oefent Joost nu anders. Hij verdeelt dagelijks vijf schoolwoorden in klankgroepen, schrijft ze op en controleert ze. Daarna speelt Joost de woorden nog even met Woordkasteel op de computer. Joost is blij: hij oefent nu korter, beter en fijner. En de vader van Joost? Die zegt nu ook “ah” en “buh”.