Multitasken of toch maar niet

Column door Elvira Rouwenhorst-Pont, in 2014 verschenen in Salland Centraal

 

U weet het misschien: ik zing bij een aantal koren met muziek waar ik wel even op moet oefenen. Die muziek staat op en terwijl ik dit typ zing ik een moeilijk stuk mee. Het gaat voor geen sikkepit. Ik kom maar niet verder met mijn stukje en ook vallen er gaten in mijn gezang.

Ik zet de muziek uit (en ook maar even mijn E-mailprogramma en telefoon) en dan stromen de woorden ineens vanuit mijn brein op het beeldscherm.

Hoe doen pubers dat toch? Als je naar hen kijkt, lijkt het of ze de hele dag met wel tien dingen tegelijk bezig zijn: tv kijken, “oortjes” in, een schoolboek op de ene knie en de mobiel op de andere. Alles tegelijk: multitasken. Jaloersmakend, toch? Maar werkt dat echt? Volgens de pubers wel, maar…. helaas!

Het menselijk brein, dus ook dat van pubers, kan zich met 1 ding tegelijkertijd echt bezighouden. Ik heb het dan over “denk-dingen”. We kunnen natuurlijk best zingend de kerstboom versieren. En ook kunnen we autorijden en kletsen tegelijk omdat een groot deel van het autorijden op de automatische piloot gaat. Maar het is mij wel eens overkomen - en ik denk u ook wel - dat ik teveel aan het kletsen was en daardoor een afslag miste. Of dat ik middenin een zin stopte met praten omdat ik een lastig kruispunt naderde. Een moeilijke som oplossen is net zoiets: tijdens het berekenen kun je prima wandelen of de kat aaien. Maar als je tussendoor een whatsappje gaat lezen, dan ben je “eruit” en kun je opnieuw beginnen.

Bij “denkdingen” gebruiken we ons werkgeheugen. Net als bij een computer is dat een plek op onze ‘harde schijf’ waar tijdelijk informatie wordt opgeslagen en verwerkt. Het werkgeheugen heeft een beperkte ruimte en werkt bij de een beter en sneller dan bij de ander, net zoals dat bij computers kan verschillen. Het werkgeheugen van een computer kan overbelast raken als er teveel programma’s aan het werk zijn. Bij ons brein is dat ook zo. Bij een moeilijke taak, waar we diep bij moeten nadenken of bij iets nieuws, wordt ons werkgeheugen extra belast.

Om een voorbeeld te geven: onthoud in uw hoofd het woord “substitutie” en reken dan de volgende som uit in uw hoofd: 87x14. Was dat makkelijk of moeilijk voor u?

 

Wat er gebeurd was (ongeveer) dit: uw werkgeheugen moet het woord tijdelijk ergens opslaan, dan 10x87 uitrekenen, het tussen-antwoord opslaan, dan 4x80 uitrekenen, bij het vorige antwoord optellen en opslaan, dan 4x7 uitrekenen en bij het totaal optellen. En dan zegt u het antwoord en het woord dat u moest onthouden.

Kent u het woord substitutie, dan heeft u het al iets gemakkelijker: u kunt het woord grotendeels uit uw lange termijngeheugen halen. Ook als u snel en goed kunt rekenen heeft u een voordeel omdat het werkgeheugen dan minder snel wordt belast. Maar is dat bij u niet zo, dan was dit een zware taak voor uw werkgeheugen.

Bij moeilijk werk of iets dat we nog moeten leren gebeurt dit regelmatig. We overzien het even niet meer en moeten even iets anders doen om te ‘resetten’. Voor een computer kun je een groter werkgeheugen aanschaffen, maar bij ons brein lukt dat helaas (nog?) niet. We moeten het doen met wat we hebben.

Waarom ik u dit vertel? We zien in onze praktijk veel kinderen en jongeren die lagere cijfers halen dan nodig is. Heel vaak komt dit omdat ze niet handig omgaan met hun werkgeheugen. Uit een onderzoek1 bleek dat studenten met lagere cijfers tijdens het leren om de 5 minuten bezig waren met iets anders, zoals whatsappen of sms-en. Toch jammer.

Wij zien zelf dat jongeren te laat beginnen en dan hele bladzijdes tegelijk moeten leren. Als je weet dat het werkgeheugen 5 tot 9 gelijksoortige dingen kan verwerken, dan is het logisch dat dat niet werkt. Een tip: leer woordjes eerst in groepjes van 5 tot 9 woorden tot ze in het lange termijngeheugen zitten (dus als je het gevoel hebt dat je ze kent). Daarna kun je de groep zo groot maken als je wilt.

Op een goede manier omgaan met je werkgeheugen kan dus al enorm veel verschil maken in de schoolresultaten. Daarom leren we kinderen en jongeren ‘monotasken’ en trainen we het werkgeheugen. Met hogere cijfers tot gevolg. Zo eenvoudig kan het zijn.